Post Tagged ‘Andre Kamperveen’

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Vrij Nederland, 15 juli 1995. De verantwoordelijken voor de ‘decembermoorden’  zijn na 29 jaar  nog steeds niet berecht. Een terugblik. 

Lea Kamperveen over de moord op haar man ‘Ampie’

Door Usha Marhé

Het militaire regime in Suriname ruimde in december 1982 vijftien intellectuele tegenstanders uit de weg. De daders van die moorden zijn nooit berecht. Zelfs niet ter verantwoording geroepen. Bouterse, de man achter de moorden, doet volgend jaar zelfs weer mee aan de presidentsverkiezingen. Door de huidige gezagscrisis en het morele verval zijn de vooruitzichten van ‘Bevel’ zelfs goed. Want de bevolking is wanhopig en van de huidige regering heeft ze niet veel meer te verwachten. Voor hen lijkt Bouterse, de man achter de revolutie, nu vooral een man van daden. Een van de slachtoffers van de militairen was André Kamperveen van het radiostation ABC. Zijn weduwe Lea Kamperveen-van Leuvenum vindt dat ze niet langer kan zwijgen over toen. Ze wil de mensen herinneren aan de daden van de beul, die mogelijk Surinames volgende president wordt.

‘Ik heb mij gedurende twee jaar bijzonder ingezet. Ik heb een ministerie helpen uitbouwen dat een verworvenheid is van de revolutie. Ik heb niet alleen met liefde, maar naar eer en geweten mijn taak vervuld. ‘s Lands voor ogen houdende heb ik mijn mening nooit onder stoelen en banken verborgen omdat ik in principe nu eenmaal niet anders kan. Ik houd van mijn land en zal mijn land blijven dienen en de strijd tegen onrecht en onrechtvaardigheid voortzetten. Bevelhebber Bouterse heeft gezegd dat wij in een rijdende trein zitten, maar hij heeft het eindpunt nooit aangegeven. In zo ’n trein stappen mensen in en uit, pas bij het eindpunt zal de balans worden opgemaakt. Maar laten wij zolang de trein rijdende is de revolutie ondersteunen. ‘

Met deze haast profetische woorden maakte André Kamperveen halverwege 1982 zijn ontslag als minister van Jeugd- en Sportzaken bekend. Hij was het er onder andere niet mee eens dat de beloofde verkiezingen uitbleven. De hele regering Chin A Sen stapte op in die periode en de regering Nyhorst trad aan.
Op 27 september 1982 vierde ‘Ampie’, zoals hij in Suriname bekend was, zijn achtenvijftigste en laatste verjaardag, met Bouterse als een van zijn gasten. Twee maanden later, 8 december 1982, werd André Kamperveen vermoord. Dat gebeurde volgens een plan dat door diezelfde gast was uitgedacht.

‘Niemand had gedacht dat ze werkelijk vermoord zouden worden, zijzelf ook niet. Zolang Bouterse niet berecht wordt, zullen coups onderdeel van het machtsspel in dat land blijven.’ Het doet haar pijn en het maakt haar boos als ze over de gebeurtenissen van toen praat. De weduwe van Kamperveen, Lea Kamperveen-van Leuvenum (43), woont nu alweer twaalf jaar in Nederland.

‘Op 7 december 1982 was Chin A Sen al in Pittsburg. Daal van de Moederbond had stakingen uitgeroepen. Suriname was toen in rep en roer. André kwam die avond om elf uur thuis. We spraken over de gebeurtenissen van die dag, de grote protestmars die door studenten en vrouwen was gehouden. Precies om twee uur in de ochtend ging de telefoon over. We lagen al in bed. Chin A Sen belde. Horb was pas bij hem langs geweest in Pittsburg om te vragen of hij terug wilde komen. Hij wilde weten hoc de politieke situatie in Suriname was, voordat hij besliste. André raadde hem af om te komen. Een half uur na het telefoongesprek hoorden we iemand roepen. “Meneer Kamperveen, meneer Kamperveen.” Onze hond ging tekeer op het erf. Ampie stond op, trok zijn shorts aan. Hij zei nog: “Mijn God, er is zeker iets met Johnny gebeurd,” voordat hij naar de poort liep.

Ik had intussen al naar buiten gekeken en riep hem nog achterna: “Pas op, er staan mensen verscholen achter de poort.” Ik kon dat zien, ze stonden verscholen achter de grote pilaren. Maar hij liep nietsvermoedend verder. Bij de poort werd hij door die mensen in burger vastgegrepen, terwijl ze riepen: “U moet nu mee.” De hond sprong tegen ze op, er werd op hem geschoten. In die consternatie rende Ampie naar binnen. Toen begonnen ze op het huis te schieten. Ik was in paniek geraakt. André greep me vast, drukte me op de vloer. Hij zei nog tegen me: “Schatje, schatje, stil, lig op de grond.”
Ik begon te gillen uit paniek en angst, toen hij een hemd pakte, dat aandeed en naar buiten liep. Alles ging toen snel. Hij werd weggevoerd, ik was nog in het huis. Militairen trokken alle telefoontoestellen kapot. Vier bleven tot zes uur ’s ochtends in huis. Ik weet niet meer wie het waren, maar als ik ze zou zien zou ik ze zo herkennen. Zulke gezichten vergeet je niet.
Ik was nerveus, ik huilde. Kort nadat ze André hadden weggebracht, hoorde ik schoten en een harde knal. Op mijn vraag wat dat was, zei een van de militairen dat er een tegencoup aan de gang was. Maar het was Ampies radiostation ABC dat opgeblazen werd. Ik bleef huilen, riep steeds: “Laten jullie die man met rust, hij heeft niets gedaan.”

Een van hen zei: “Mek a vrouw hor’ eng bek, a jongu, ow fen wang tra man.” (Laat die vrouw d’r bek houden, ze is jong, ze vindt wel iemand anders). Ik kreeg een eng gevoel over me. Om zes uur kwam Mahadew, een van de veertien militairen van de staatsgreep in februari 1980, zeggen dat de militairen weg konden gaan. Het huis was kapotgeschoten, ik wilde er niet in blijven maar ik mocht niet weg. Ik zei toen dat ik naar mijn moeder wilde. Ik wist nog niet dat er anderen waren opgepakt. Ik wist ook niet waar Johnny was, hij was een paar dagen geleden naar een eigen woning verhuisd.
Diezelfde ochtend ben ik alles en iedereen afgelopen om te weten te komen waar Ampie was. Op straat hoorde ik dat anderen ook waren opgepakt. Eigenlijk wist niemand wat er precies gebeurd was met wie en waar ze waren.

Ik ging naar het Fort Zeelandia, waar de militairen zaten. De Militaire Politie zei van niets te weten, raadde me aan naar premier Nyhorst te gaan. Ik ging die middag naar hem toe. Hij zei dat ze volgens hem in het Fort waren en dat hij verder niets wist. Ik weer terug naar het Fort. Er waren veel militairen op de verschansing eromheen. Ik sprak een van hen aan en vroeg of ik kleren mocht brengen. Dat mocht niet. Ik vroeg toen of ik Horb mocht spreken. Ik wist niet dat Horb toen al ontwapend was. Ik werd weggestuurd. Ging weer naar Nyhorst. Ik werd ontzettend boos toen zijn vrouw zei dat hij sliep, dat ze hem niet wakker wilde maken. “Hoe kan hij slapen terwijl Suriname bijna vergaat,” riep ik.

Die avond van 8 december sliep ik bij vrienden thuis. Om zeven uur ’s avonds belde minister Tjon Kie Sim. De ministers waren aan het vergaderen, hij zou minister Leeflang naar me toe sturen om kleren voor André op te halen. Toen Leeflang er was heb ik hem in mijn woede en angst uitgescholden voor verrader van zijn eigen vlees en bloed. Hij was namelijk een halfbroer van mijn man. Hij knielde na mijn tirade in het zand neer en bezwoor me dat hij van niets wist.

Om ongeveer twee uur ’s morgens werd ik wakker van schoten. Ik begon te huilen en zei tegen mezelf: “Mijn God, ze hebben ze vermoord,” niet wetende hoe waar dat zou blijken te zijn. Ik ging de volgende ochtend naar het Academisch Ziekenhuis om medicijnen te balen. Ik zag direct dat er een militaire truck bij de ingang van het mortuarium stond geparkeerd. Mahadew en een andere militair stonden erbij. Ziekenhuispersoneel stroomde naar buiten. Patholoog Vreede en directrice Somaroo van het AZ liepen naar het mortuarium toe. Ik rende naar de truck. Er werden groene lijkzakken uitgeladen. Ik vroeg angstig aan Mahadew of André erbij was. Hij zei het te zullen natrekken. Die andere militair richtte zijn geweer op me en riep: “Haal die vrouw van hier weg of ik schiet.” Toen kreeg ik een black-out.

Later kwamen Vreede en Somaroo met bedrukte gezichten uit het mortuarium. Ik vroeg of Ampie erbij was. Al die tijd antwoordde niemand rechtstreeks op mijn vragen. Ze vroegen aan mijn vriendin, die in het ziekenhuis werkte, om me weg te brengen. Ik ging naar Henk, een andere zoon van Ampie, vertelde hem wat ik gezien had, dat ik nog steeds niet wist of zijn vader nog leefde of niet. Volgens Henk kon hij niet dood zijn, omdat André en Jozef Slagveer net op de radio een verklaring hadden afgelegd dat ze waren opgepakt omdat ze met een tegencoup bezig waren. Ik wist dat dat gelogen was. Toen ging ik voor het eerst de reële kans van moord beseffen.

Op 9 december wist heel Suriname wat Bouterse verteld had, dat ze op de vlucht zouden zijn doodgeschoten, en waren de namen van de vermoorde mannen eindelijk bekend. Ik kreeg het te horen van een legerpredikant. Ik was thuis bij mijn moeder toen hij kwam. Ik schreeuwde het uit, begon te huilen, vroeg hem om met me te bidden. Die dominee liep daarna huilend weg. Ik was alle besef van tijd kwijtgeraakt in die maalstroom van emoties.

Later moest ik hem gaan identificeren. In het mortuarium hing een vreselijke stank. Hij lag op een brancard, tot aan zijn hals bedekt met een wit laken. Ik mocht hem niet aanraken. Ik moest alleen maar bevestigen dat hij het was. Ik wilde hem vasthouden, met hem praten. Ik kan me heel weinig herinneren van dat moment. Van later iets meer, toen hij voor de begrafenis lag opgebaard. Ik zat toen vol kalmerende middelen. De dag van de begrafenis waren er veel mensen langs de weg. Dat heeft me ontzettend gesterkt. Ampie was bekend en geliefd in heel Suriname. Hij was een levensgenieter, sportman, sociaal actief en zat ook in de politiek. Een echte volksjongen die het had gemaakt door hard studeren en werken, zonder kapsones te krijgen. Iedereen kende hem van Het Klokje van Zeven, een kinderprogramma op de radio dat door jong en oud beluisterd werd. André lag samen met Cyril Daal en Harold Riedewald opgebaard in het mortuarium. Ik heb afscheid genomen van André, zoals we dat in Suriname doen. Ik heb tot hem gesproken, tegen hem gezegd dat ik trots op hem ben, omdat hij zijn leven heeft opgeofferd voor zijn land, maar dat hij niet mag rusten zolang degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn dood niet zijn gestraft.

De hele maand december heb ik niets meer van de militairen vernomen. In januari 1983 ging ik naar Amerika. Ik was moe, op. Kort daarop kwam ik terug en ging in ons huis wonen dat ik had laten opknappen. Ik werkte ook weer. Vanaf toen kreeg ik ’s nachts dreigtelefoontjes. Ik kreeg ook een kaart, zonder afzender, met de tekst: “Lang leve de revolutie.” Ik begon bang te worden, keek steeds maar om me heen. Ik werd hysterisch zodra ik militairen zag, ik  schrok van groene kleding. Ik was niet van plan te wijken, het was ook mijn land, daarom ben ik niet direct weggegaan. Maar op een gegeven ogenblik kon ik het psychisch niet meer aan. Zodra ik een groen pak zag, werd ik gek. Ik besloot toen weg te gaan. Ik bleef tot eind 1983 in New York. Mijn leven bestond uit feesten en plezier maken. Ik wilde vluchten van de realiteit, wilde vergeten. Voordat ik begin 1984 naar Nederland kwam, ben ik drie dagen in Suriname geweest om zijn graf te bezoeken. Pas in 1989 heb ik de Nederlandse nationaliteit aanvaard.’

In haar paspoort staat ze vermeld als Eleonara Carla van Leuvenum, weduwe van A.R. Kamperveen. ‘Ik ben die naam blijven gebruiken tot ik in 1990 mijn zoon kreeg. Na zijn geboorte kreeg ik lichamelijke en psychische klachten. Door de bevalling ging er iets in me stuk. Ik kreeg weer last van slapeloosheid, huilbuien, ik wilde soms mijn bed niet uit. Ik dacht heel veel aan André, hoe graag wij een kind hadden gewild en aan de vele miskramen. Toen ik mijn zoon Fernando in mijn armen hield, huilde ik van geluk en van verdriet. Ik had zo’n moment heel graag met hem willen delen. Toen pas ben ik in therapie gegaan. Eerder wilde ik niet over december praten. Al die jaren heb ik last gehad van nachtmerries, vierde ik geen kerst en geen verjaardagen. Met mijn zoontje heb ik dat soort dingen weer opgepakt. De feestdagen hadden geen betekenis meer voor me, de hele decembermaand niet.
Ik was heel gelukkig met hem. Met André heb ik mijn eerste diner gegeten, mijn eerste reis gemaakt. Ik leerde hem kennen toen ik negentien was. Vanaf mijn drieëntwintigste hebben we samengewoond. Hij leefde toen al gescheiden van zijn eerste vrouw. In mei 1980 scheidde hij, en een maand daarna zijn we in New York getrouwd. André is en blijft voor mij een held, voor altijd. Ik zal hem nooit kunnen vergeten, al zou ik opnieuw trouwen, hij zal altijd deel blijven uitmaken van mijn leven.

Ik heb nooit de behoefte gehad om terug te gaan naar Suriname. Ook nu niet. Niet zolang Bouterse niet is berecht. Bouterse is voor mij de hoofdschuldige, al zijn er meer die schuldig zijn. Die opportunist van een André Haakmat moet maar uitkijken. Vanaf het begin heeft hij intriges zitten bedenken om aan de macht te komen. Chin A Sen was zijn beste vriend, sinds 1982 zijn ze aartsvijanden. Haakmat is gevlucht uit Suriname, is door Bouterse en Herrenberg voor landverrader uitgemaakt. Zijn vrienden zijn vermoord in 1982. En het is diezelfde Haakmat die een amnestiewet voor Bouterse heeft opgesteld. Die man is erger dan een slang. Over principeloos gesproken…

Bouterse beweert dat hij op 8 december een CIA-aanval heeft verijdeld. Waarom heeft hij toen geen huiszoekingen laten doen, als daar echt sprake van was? Waarom heeft hij alle mogelijk bewijs laten platschieten? Hij kon ze toch gewoon hebben opgepakt en berecht. Maar nee, hij wilde gewoon bewijzen dat hij de macht had. Zo van: dit is het lot van wie tegen mij is.
In december 1992 (toen er voor het eerst een groep nabestaanden uit Nederland naar Suriname ging – UM) kwam hij weer met de zogenaamde onthulling over een verstoring van de herdenking door de CIA. Dat het hem weer in de schoenen geschoven zal worden als er doden vallen. Ik werd er bang van. Ik was zo bang dat hij de herdenkingsgroep gewoon ijskoud op het vliegveld zou laten executeren. Gelukkig is dat goed afgelopen. In Nederland hebben we makkelijk praten. Het zijn de mensen in Suriname die in die ellende leven. Bouterse moet gestopt worden voordat hij de politieke carrière opbouwt waar hij al jaren op aanstuurt. Als ze hem in de politieke arena toelaten, is het te laat.
De oude politici moeten de kast in, er moeten jonge mensen regeren. Die oude hebben voor de rommel gezorgd, hoe kun je dan verwachten dat ze hun eigen rommel opruimen?’  -x-

——————————-
De Reünie

Deze periode in 1982 heeft veel invloed gehad op de jonge mensen die destijds in Suriname op de middelbare scholen zaten. Wat is er met die jonge mensen gebeurd? Het KRO programma ‘De Reünie’ bracht ex-leerlingen van het Miranda Lyceum samen en zond de opname uit op 31 december 2010. Het verhaal van een generatie Surinamers. Zie link:  De Reünie – Miranda Lyceum 1982 in 2010

Advertenties