Post Tagged ‘decembermoorden’

De context van onderstaand verhaal van Noraly Beyer

De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) organiseerde samen met de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB)  in november 2016 voor de elfde keer de ‘Nederland Leest’ actie. Tijdens deze speciale leesmaand kan iedereen in Nederland gratis een boek in de bibliotheek halen, dat elk jaar speciaal voor deze actie wordt uitgezocht en gedrukt. In 2016 konden lezers wel drie boeken meenemen! Elk boek verscheen met een voorwoord, dat aansluit bij het thema van het verhaal. Noraly Beyer schreef het voorwoord voor Liefde en schaduw van Isabelle Allende, Gerdi Verbeet voor Morten van Anna Levander en Özkan Akyol voor Heer van de vliegen van William Golding. Deze boeken gaan allemaal over het voortdurende proces van democratie of het gebrek daaraan, het thema van de leesactie in 2016.

isabel-allende-liefde-en-schaduwIsabel Allende (1942) is geboren in Chili. Haar oom, Salvador Allende, was vanaf 1970 president van dat land. Aan zijn regering kwam een abrupt einde door een militaire staatsgreep in 1973 onder leiding van generaal Augusto Pinochet. Wikipedia: ‘In de eerste drie jaar van zijn regering van het politiek sterk verdeelde Chili liet hij zeker 130.000 tegenstanders arresteren, van wie een deel als politieke gevangenen tijdelijke straffen kreeg en enkele tienduizenden gevangenen werden gemarteld. Rond de drieduizend (extreem) linkse tegenstanders werden gedood of verdwenen; tienduizenden verlieten het land.’

Salvador Allende zag dit allemaal blijkbaar aankomen en maakte tijdens de bestorming van het presidentieel paleis in 1973 zelf een eind aan zijn leven. Isabel Allende was journalist, feminist én familie van Salvador Allende, zij moest noodgedwongen haar geboorteland in 1975 verlaten. Haar eerste boek Het huis met de geesten verscheen in 1982 en werd een internationale bestseller. Zij is een van de best verkopende auteurs in de wereld.

In Liefde en Schaduw (Amor y Sombra) stuiten journaliste Irene en fotograaf Francisco op een massagraf.  Irene en Francisco kunnen niet langer de ogen sluiten voor wat mensen in hun land wordt aangedaan en gaan op onderzoek. Terwijl ze in verzet komen tegen de verschrikkingen van het dictatoriaal regime bloeit de liefde tussen hen op. Hoewel er in het boek geen geografische namen worden gebruikt, is het duidelijk dat het verhaal zich afspeelt in Chili.

Noraly Beyer werkt bij de Surinaamse Televisie Stichting als op 25 februari 1980 een staatsgreep in Suriname wordt gepleegd onder leiding van sergeant Desi Bouterse. In haar voorwoord bij deze speciale uitgave van dit boek neemt ze de lezer mee naar ‘the day after’ en maakt ze een vergelijking tussen de situatie in Chili en wat er na de staatsgreep in Suriname gebeurde.

————————————————————————————–

De weggeschoten democratie

door Noraly Beyer

Op het terrein van de STVS, de Surinaamse Televisie Stichting, in Paramaribo dwarrelt wat stof omhoog in de hitte van de ochtendzon. In de afgelopen nacht hebben militairen een staatsgreep gepleegd. Een jongeman loopt schreeuwend rond. Hij heeft een camouflagehemd aan en over zijn schouder hangt een geweer, achteloos alsof hij een tas draagt. Als hij ons ziet houdt hij het wapen in de hoogte en roept: ‘Jullie zijn nu allemaal het lul.’

In het kantoor van de legerleiding ontvangt de militaire censor ons. Hij heeft zijn uniform aan. Zijn benen, gestoken in laarzen, liggen boven op het bureaublad. Zijn hand geeft nonchalant een slinger aan het wapen dat voor hem ligt, alsof hij een rad van fortuin in beweging brengt. Hij grijnst naar ons als het geweer stilhoudt en wij regelrecht in de loop kijken.

noraly-beyer-jean-van-lingen

Noraly Beyer (Copyright foto: Jean van Lingen)

De avondklok is net ingegaan. Ik ben nog op straat en haast me in mijn auto naar huis. Bij een kruispunt stuit ik op soldaten. Ze dirigeren me naar de kant van de weg. Ik moet uitstappen en naar het trottoir gaan. Het geweer in hun hand dient even als aanwijsstok. Twee militairen blijven bij mij staan terwijl hun wapenbroeders mijn auto onderzoeken.

Ik zit achter mijn bureau bij de nieuwsdienst van de STVS en sorteer de berichten voor het journaal van half acht. Sergeant Zinhagel is net benoemd tot censor. Hij heeft opdracht om ‘de pers te begeleiden’. Wat dat precies inhoudt, weet hij zelf nog niet zo goed.

Een paar weken later tik ik een bericht uit over Nicaragua, waar guerrillastrijders het opnemen tegen de regering. Zinhagel staat achter mij met een collega. Die legt zijn uzi op mijn schouder en zegt dat ik ‘guerrillastrijders’ moet veranderen in ‘vrijheidsstrijders’.

Dit zijn herinneringen die naar boven kwamen toen ik Liefde en schaduw van Isabel Allende herlas. Het verhaal van twee jonge mensen, journaliste Irene en fotograaf Francisco, die elkaar liefhebben terwijl de militaire dictatuur om hen heen woedt. Irene is in het begin nog de onschuld zelve. Een hippie-achtig type dat met fladderende rokken en loshangend krullend haar door het leven gaat en met haar liefelijke uitstraling overal mensen in bekoring brengt.

Irene maakt reportages voor een damesblad en trekt met haar vrijmoedige verhalen de aandacht van Francisco, die psychologie studeerde maar nu fotograaf is. Francisco zit in het ondergronds verzet en opent langzaam de ogen van Irene voor alle onrecht en terreur om hen heen. Hun liefde gedijt in de schaduw van een dictatoriaal regime, wat de titel van de roman verklaart.

Als kind van een fanatieke vader die gevlucht was voor de Franco-dictatuur in Spanje en nu toch weer moet leven met een militaire junta aan het bewind, heeft hij meegekregen dat je met hart en ziel moet vechten voor de democratie. ‘Wat telt,’ zegt de vader tegen de zoon, ‘is dat het volk de macht heeft.’ Deze zin deed me weer denken aan mijn ervaringen met de militaire periode in Suriname. En vooral hoe ik daarna, vertrokken uit het land dat tot de dag van vandaag worstelt met de erfenis van een weggeschoten democratie, steun vond in het kwatrijn van wijlen Hugo Pos, jurist en dichter.

Bedenk mijn zoon, dat alles wat gebeurt,

De keur van vroeger draagt en wij op onze beurt

Het snoer van morgen rijgen. Niets is waar,

En wat eens waar was, is niet waar gebeurd.

Het is goed als ouders hun kind waarschuwen voor onheil dat hen zelf is overkomen en waarvoor ze de volgende generatie willen behoeden. Talloze malen heeft mijn schoonvader me voorgehouden dat macht het ergste in een mens kan losmaken. Nog voor de Russen zijn geboorteland Hongarije binnenvielen, was hij het land uit gevlucht, tussen kadavers van varkens en runderen in de vriesruimte van een vrachtwagen. Maar ik moest eerst zelf ondergaan wat het is als iemand zich de macht in een land toe-eigent zonder dat de bevolking in meerderheid daarvoor gekozen heeft.

Hoewel niet bij naam genoemd, speelt Liefde en schaduw zich af in Chili, het land van de ouders van Isabel Allende, waar zij zelf ook gewoond heeft tot 1975. Anderhalf jaar eerder, op 11 september 1973, had legerleider Augusto Pinochet een bloedige staatsgreep gepleegd waarna hij dictator werd van Chili. Pinochet was het niet eens met het socialistische bewind van president Salvador Allende, oom van Isabel, en liet het presidentieel paleis La Moneda in de hoofdstad Santiago bombarderen. De foto’s van dat paleis, omhuld door rookwolken van de bommen, gingen de wereld over. Allende kwam tijdens die aanslag om het leven. Er was ook een foto van hem, bloedend uitgezakt op een zitbank. Jaren later werd bevestigd dat hij zelfmoord had gepleegd toen de militairen het paleis bestormden. Door mijn werk bij de STVS heb ik een levendige herinnering aan deze beelden en ook aan de gruwelijke verhalen over de junta van Pinochet die duizenden tegenstanders oppakte en voorgoed liet verdwijnen.

Begin jaren zeventig was ik van Nederland verhuisd naar Suriname. In 1973, in het jaar van de staatsgreep van Pinochet, was ik begonnen als nieuwslezer in de weekends. Ik had er toen geen idee van dat ik de rest van mijn leven verknocht zou blijven aan de journalistiek en dat Suriname het voorbeeld zou volgen van Chili en andere landen waar militairen de macht overnamen.

Er was veel te doen in de wereld. Het was de tijd van de Koude Oorlog met conflicten in Vietnam, op Cuba. In rap tempo waren landen in Afrika onafhankelijk geworden. In Latijns-Amerika volgde de ene coup de andere op en deden de Verenigde Staten er alles aan om te voorkomen dat ze communisten in hun achtertuin kregen. Om Suriname, in het noorden van het Zuid-Amerikaanse continent, hoefden de Amerikanen zich geen zorgen te maken, zolang het land nog onder invloed stond van Nederland. Couppogingen waren ook steeds voorbijgegaan aan Suriname, op die ene keer na in 1910 toen de Hongaarse militair Killinger het land wilde overnemen. Hij werd verraden en opgesloten in de gevangenis in Nederland.

Onafhankelijkheid kon niet uitblijven in Suriname. Nederland wilde geen koloniën meer en de stem van Surinamers die pleitten voor ‘wi egi sani’ oftewel ‘ons eigen ding’ werd luider. In zijn eerste regeringsverklaring begin 1974 maakte premier Henck Arron bekend dat hij zijn land zou leiden naar onafhankelijkheid ‘ultimo 1975’. De verontwaardiging dat hij het volk niet voldoende geraadpleegd had, ontaardde in rellen, brandstichtingen en een enorme exodus uit Suriname naar moederland Nederland. Een verzoening op het laatste moment tussen oppositie en regering maakte dat de onafhankelijkheid van Nederland op 25 november 1975 plechtig en toch ook uitbundig verwelkomd werd in het voetbalstadion van Paramaribo. De foto’s en filmbeelden van de brasa, de omhelzing, tussen de leiders van de regering en de oppositie, onder het glimlachend oog van kroonprinses Beatrix, zijn legendarisch geworden. Nauwelijks vijf jaar later was het gedaan met alle euforie. Alsof Suriname niet kon achterblijven bij alle staatsgrepen in Latijns-Amerika, namen militairen op 25 februari 1980 de macht over. Het was geen vooropgezet plan, zoals in Chili of Argentinië. De onafhankelijkheid had onrust meegebracht. Er waren kleine en grote stakingen, ook in het leger. Toen onderofficieren een vakbond eisten, zoals ze dat in Nederland tijdens hun opleiding hadden meegekregen, trapte Arron hen op de ziel door hen uit te maken voor padvinders. Op een kwade dag staken ze het politiebureau in brand, arresteerden leden van de regering en sleepten jonge mannen die zich verdacht gedroegen naar de kazerne voor een afranseling in het openbaar. In mijn kamer bij de STVS kwam Henk Zoutendijk langs, een Nederlander die al jaren in Suriname was voor de culturele samenwerking met Nederland. Hij had de Tweede Wereldoorlog in Europa meegemaakt en dwong mij te luisteren naar zijn donderpreek dat ik helemaal niets mocht verwachten van militairen die coupplegers waren geworden. Ik hoor het hem nog zeggen: ‘Er komt niks goeds uit de loop van een geweer.’ Zijn waarschuwingen verwaaiden met de wind. De Surinaamse bevolking was in meerderheid de arrogantie van de regering-Arron zat en in al mijn onnozelheid gaf ook ik het voordeel van de twijfel aan de Nationale Militaire Raad.

Zo voegde Suriname zich in het gelid van de Latijns-Amerikaanse buurlanden die goed wisten hoe je een democratie om zeep moest helpen. Het ging direct al van dik hout zaagt men planken. Militairen met een bullenpees in de hand en een uzi over de schouder liepen kantoren in en uit om te controleren of iedereen op zijn werkplek was. In het begin kon ik er nog om lachen en was ik ook zo vrijmoedig om de militairen en hun aanhangers van repliek te dienen. Tot de situatie grimmiger en grimmiger werd en ten slotte na bijna drie jaar, op 8 december 1982, de apotheose vond in de moordpartij op vijftien mannen die zich openlijk verweerd hadden tegen de onderdrukking van de dictatuur.

Sindsdien is het definitief gedaan met de democratie in Suriname. De legerleider die verantwoordelijk is voor dat bloedbad loopt nog steeds vrij rond en heeft het zelfs voor elkaar gekregen om zich te laten verkiezen tot president van het land. Daarin openbaart zich de drogreden van democratie in Suriname. Inderdaad, het leger heeft zich officieel teruggetrokken uit het landsbestuur bij de eerste vrije verkiezingen in 1986, maar iedereen weet dat de militairen op de achtergrond blijven meeregeren. Niet meer pontificaal met de uzi in de hand maar met het kweken en bestendigen van angst, wat een veel effectiever wapen is om een volk te onderdrukken dan een tank of een geweer in de aanslag. Koppel dit handelen aan de strategie om de politiek in te gaan en vandaaruit opnieuw te gaan zagen aan de poten van de democratie, dan weet je dat spreken over democratie in Suriname, spreken is over een fata morgana. Democratie laat zich gemakkelijk manipuleren als een leider zand in de ogen strooit van het volk, op duistere manieren geld vergaart en daarmee goede sier maakt.

Maar gelukkig, het gevoel voor recht en waarheid, een wezenlijk kenmerk van democratie, is ook taai. Dat laat zich weer aflezen aan de moed van nabestaanden van de decemberslachtoffers om in 2000, nog net voor de verjaring van de decembermoorden, een gerechtelijk onderzoek aan te vragen. Het verzoek werd gehonoreerd en zo leek het warempel wel of de democratie weer terrein zou krijgen. Het bracht in elk geval de hoop op herstel van de rechtstaat terug. Hoop dat moreel en historisch besef, vooral bij jongeren die onwetend zijn gehouden over het recente verleden, terugkomt. Hoop ook dat er weer in rust en vertrouwen gebouwd kan worden aan een land dat niet meer onder aan de ranglijst staat van de index Internationale Mensenrechten.

Het proces sleept zich nu al jaren voort en het vergt veel uithoudingsvermogen om te blijven geloven dat er in Suriname ooit recht gesproken wordt over de decembermoorden. De hoofdverdachte verschuilt zich achter een amnestiewet die hij zelf in het leven riep. En als er in de rechtszaal na heel lang wikken en wegen wordt gezegd dat de amnestiewet niet deugt, verzint hij een constitutionele crisis omdat de rechtszaak de staatsveiligheid in gevaar zou brengen. Niet voor niets is ‘de Surinaamse Pinochet’ een van de bijnamen van de huidige president van Suriname. Dat belooft niet veel goeds, want de Chileense Pinochet is op hoge leeftijd overleden zonder ooit veroordeeld te worden.

Het brengt me terug naar Isabel Allende. Ik herken mezelf in Irene, die in het begin van het verhaal vrij argeloos en onbekommerd in het leven staat, tot ze geconfronteerd wordt met het brute en nietsontziende machtsvertoon van militairen en voorgoed haar onschuld verliest. Natuurlijk, Allende schreef een roman. Irene, Francisco en alle anderen in het verhaal zijn fictieve personen in een wereld die ook fictief lijkt, maar het niet is. De roman is een getrouwe weergave van het dagelijkse leven in een dictatuur, waarin het niet eens zozeer gaat om voortdurend wapengekletter als wel om de andere excessen van machtsvertoon die zich uiten in kleine gebaren, een oogopslag, een persoonlijke wraakoefening, bedreigingen, intimidaties en publieke vernedering. Als je een uzi op je schouder voelt bijvoorbeeld of als je er rekening mee gaat houden dat je afgeluisterd wordt. Ik herinner me dat er om me heen gefluisterd werd dat ik zaken deed met de CIA. Ik was gesignaleerd in een restaurant met een Amerikaan die bij de Verenigde Naties werkte en in Suriname was ter beoordeling van een lopend project. In een dictatuur moet je ervoor waken dat je niet achter elke boom een spion waant, maar het is je geraden om zeer kieskeurig te zijn met personen aan wie je vertrouwen schenkt. Een militair bewind permitteert zich brute moord en standrechtelijke executies om mensen monddood te maken, en is daarmee per definitie de vijand van democratie. De kracht van Allendes verhaal zit hem in de beschrijving van de alledaagsheid van het leven in een dictatuur. Ze weet uit eigen ervaring dat Latijns-Amerika geen paradijs is van democratie en mensenrechten. Maar haar overtuiging dat er altijd mensen zijn die zich verzetten tegen onrecht is hoopgevend en haar geloof in de liefde, ook in tijden van oorlog, is oprecht en troostend.

——–

Noraly Beyer was van 1985 tot 2008 verbonden aan het NOS Journaal als redacteur en presentator. Sindsdien schrijft en speelt ze toneel en schrijft ze columns.

Dit voorwoord is hier gepubliceerd met toestemming van de auteur, Noraly Beyer, en de uitgever van het boek, de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB).

Isabel Allende (bron foto: internet)

Isabel Allende (bron foto: internet)