Dulari – De weg van mijn naam

Usha Marhé, Dulari – De weg van mijn naam, ISBN 9789055157365, Uitgeverij Van Gennep, €16,90,-. Te bestellen via: www.bol.com , www.ako.nl , www.bruna.nl , www.selexyz.nl en uw lokale boekhandel.

(Het schilderij op de kaft is gemaakt door Anand Binda.)

Fictie

Wegdromen in Bollywoodfilms, roti’s van je oma eten, in de Palmentuin smelten in de armen van je geliefde, in een vliegtuig de man van je dromen ontmoeten, migreren van Suriname naar Nederland en omgekeerd, beslissen of je wel of geen buitenvrouw wilt zijn. En: hoe leer je over jezelf denken als je Manthorni – zij die mijn hart heeft gebroken – heet?
Zes vrouwen staan aan de vooravond van een kentering in hun bestaan of kijken terug naar een belangrijke periode uit hun verleden. De relaties en levens van deze moeders, dochters, tantes en grootmoeders worden gedomineerd door onmogelijke liefdes, agressie, vernedering, de cultuur van het zwijgen en beklemmende normen en waarden die met hun meereisden van India via Suriname naar Nederland.
In Dulari – De weg van mijn naam kruipt Usha Marhé in de geest van deze vrouwen: ze kent hun passie, twijfels en verlangens die ze nodig hebben om voorgoed afscheid te nemen van datgene dat hun liefde geeft maar ook benauwt. De auteur laat de lezer op spannende en meeslepende wijze voelen en beleven dat ook gewone vrouwen manieren vinden om hun eigen stem te horen en te volgen.
Heimweemakend geurt dit boek op iedere bladzijde naar Suriname. De zes vrouwen zijn met heel hun yeye en shakti verweven in die samenleving. Marhés verhalen spelen zich af in de Hindostaanse gemeenschap, maar de problemen waar de vrouwen mee worstelen en de oplossingen die zij zoeken – vaak met de nodige zelfspot en humor – zijn universeel en van alle tijden. De zes verhalen in dit boek zijn een ode aan de veerkracht van vrouwen in het algemeen, ze kunnen zich ook afspelen in Marokko, Turkije, de Veluwe of aan de Amsterdamse goudkust.

 

Recensie 1

Dulari, een eerbetoon aan de vrouwelijke shakti

door Wierish Ramsoekh

 Toen ik eind vorig jaar na lange tijd weer in Suriname was, stond hoog op mijn “doe-lijstje” het kopen van boeken van Surinaams-hindoestaanse schrijvers. Immers, in dit blad had ik al de nodige boeken van Indiase schrijvers (al dan niet uit de diaspora) besproken, maar waarom niet dichter bij het eigen culturele huis gebleven? Mijn zoektocht langs de paar verrassend modern uitziende boekwinkels van Paramaribo leverde echter weinig op. Wat kinderboeken van Ismène Krishnadath, een enkel boekje van Shrinivasi. Steevast kreeg ik bij navraag te horen: “Hindoestanen schrijven nauwelijks!”. Reden te meer om zeer verheugd te zijn over de eerder dit jaar verschenen verhalenbundel “Dulari- De weg van mijn naam” van Usha Marhé.

Marhé (43 jaar) is geen onbekende in de hindoestaanse gemeenschap. Haar eerste boek “Tapu Sjén- bedek je schande” (1996) zorgde vanwege het thema incest voor de nodige beroering. “Dulari” is veel breder van opzet. Zes hoofdstukken zijn ieder gewijd aan een hindoestaanse vrouw en brengen de lezer van de contracttijd naar het Hollandse hier en nu.

Centraal staat in het boek de kracht van vrouwen. Vaak aan het oog onttrokken in de dagelijkse werkelijkheid, waarin een grootmoeder nijdig haar kleindochter de naam “Manthorni” (= zij die mijn hart heeft gebroken) geeft, alleen omdat ze een meisje en geen jongen is (“Hoe leer je over jezelf denken, als je Manthorni heet?”).

Wie achter de façade kijkt, weet echter hoe belangrijk in de sociale geschiedenis van de Surinaamse hindoestanen de rol van vrouwen was en is: “De vrouwen houden het land gaande, vertelde hij, zij voeden kinderen met eten dat er niet is, zij reizen naar hun werk met openbaar vervoer dat niet functioneert, zij sturen kinderen naar school terwijl ze hun hoofd breken over het betalen van boekenhuur met monopolygeld”.

Marhé roemt de vrouwelijke shakti. Dat in één van de verhalen deze speels gelijk gesteld wordt aan “girlpower” zal overigens voor kenners van het hindoeïsme een zaak van overmatige frivoliteit zijn.

Het wekt geen verbazing, dat de man-vrouw relatie belangrijk is in het boek. Mannen komen er vaak niet gunstig van af: alcoholisme, bekrompenheid, losse handjes en het weglopen van gezinsverantwoordelijkheid. De algehele conclusie lijkt somber en gaat verder dan hindoestaanse mannen: “In die relatie was ik tot de conclusie gekomen, dat het niet uitmaakt uit wat voor cultuur een man komt: ze zijn bijna allemaal ouderwets als het om de plek van de vrouw in de maatschappij gaat in relatie tot de man”. Maar alle hoop is niet verloren. De mannen uit de recentere tijd zijn wat moderner. Vooral het laatste hoofdstuk “Shakuntela” is verrassend. Na alle man-vrouw tragiek uit de vorige hoofdstukken leest dit hoofdstuk als het niet opgeven van illusies, de klassieke droom van Surinaams-hindoestaanse meisjes van Usha Marhés generatie: twee hindoestanen, trouw en wederzijds begrip, samen in Suriname.

Aangrijpend is de rol van kinderen door de verhalen heen. Zij zijn vaak het gras, dat lijdt onder de worstelende olifanten. Slachtoffers van het ongeluk van de ouders en soms zelfs kop van Jut: “We misten mama en waren blij te horen dat ze weer thuis zou komen. We zaten te eten toen ze kwam. Weet je wat ze deed? Ze pakte een kapmes en wilde ons doodmaken”. Moeders die hun kinderen perfect willen zien om eigen tegenslag in het leven te compenseren: “Natuurlijk wilde mijn moeder dat ik op mijn beurt zou slagen in het leven, maar ze dacht dat het alleen op haar manier kon. Ze wilde mij en mijn broertje tot modelkinderen drillen om de schande van haar echtscheiding weg te wassen”. Moeders die, ongelukkig bij hun man, hun hoop op levensvreugde projecteren op hun zonen en hen daarmee van een zware last voorzien. Vaders die vaak afwezig zijn: “..hij was weggegaan toen ik drie was en tot die dag van ontmoeting was hij op de achtergrond van mijn kinderleven geraakt… Mijn vader is zowel van zijn vrouw als van zijn dochter gescheiden”. Je vraagt je bijna af waarom de hindoestaanse familieband, de emotionele loyaliteit, vaak toch zo hecht is. Zou het komen, doordat moeilijke tijden lotsverbondenheid benadrukken en daardoor blijvende banden smeden?

Niet vreemd in een boek over vrouwen is de aandacht voor de relatie moeder-dochter. Mijn favoriete verhaal in Dulari is “Chowrie”. De dochter in het verhaal wil haar eigen leven leiden (“ik kan mijn leven niet inrichten naar jouw tijdgeest”). Het karakter van de moeder is complexer. Enerzijds wil ze een vriendin zijn en wil ze dat haar dochter al die dingen doet, die ze zelf niet kon doen vanwege alle sociale beperkingen in haar tijd. Door haar dochter leert ze zelfs allemaal nieuwe dingen. Anderzijds is er de ingebakken moederangst voor ongewenste zwangerschap van haar dochter en de schande richting de gemeenschap. En haar grotere levenswijsheid, die zo moeilijk over te brengen is: ”Hoe moest ze haar dochter al die dingen uitleggen? Dat ze, hoe lang ze ook hier zouden blijven wonen, toch nooit als echte Nederlanders zouden worden geaccepteerd. Hoe ze hun tong ook zouden draaien, al kwamen ze altijd op tijd op afspraken, de mensen zouden ze toch altijd aanspreken op hun buitenlandse achtergrond, al had dat buitenland eeuwenlang deel uitgemaakt van het Koninkrijk der Nederlanden. Daarom was het belangrijk je wortels te koesteren, je cultuur goed te kennen en de mensen die je wel accepteerden niet al te veel tegen je in het harnas te jagen, want je had elkaar nodig om staande te blijven”. Die gespletenheid leidt er toe, dat ze vaak het ene denkt, maar toch het andere doet en zegt. Zodat ondanks haar goede bedoelingen haar kinderen haar ouderwets vinden: “Zowel Maya als haar broer vonden dat eigenlijk de moeders en andere vrouwen zelf van generatie op generatie de boodschap aan meisjes doorgaven dat ze minder waren dan jongens”. En zo kan een vrouw, die zelf geleden heeft onder “admi ka boli” een antiheld worden.

In de openhartige verhalen van “Dulari” kan de buitenvrouw niet ontbreken. De hoop op meer verzuurt ook hier steevast wat zo speels begon. En laat kinderen met de nodige bagage achter: “Ik wilde ook niet eindigen als mijn moeder, die haar beste jaren vergooide aan een eerloze man die haar niet waard was. Hij had haar doen geloven dat ze hem nodig had, terwijl het net andersom was. Als mijn moeder haar kaarten beter had uitgespeeld, als ze meer van het leven had durven te vragen, had ze kunnen krijgen wie ze wilde. Ik wilde niet leven binnen de grenzen van haar beperkingen. Dus vond ik mijn eigen leven uit”.

En tenslotte is op de achtergrond steeds aanwezig het heimwee, dat zo kenmerkend is voor veel Surinaamse hindoestanen met één been in Suriname en de ander in Nederland. De passie spettert van het papier als Marhé schrijft over een aankomst op het Surinaamse vliegveld Zanderij: “Het leek alsof er wortels uit haar voeten groeiden zodra ze het vliegtuig uit was en weer vaste grond onder haar voeten voelde, alsof die wortels dwars door het beton van het vliegveld heen contact zochten met de aarde eronder, alsof ze smachtten naar het grondwater en groeiden totdat ze het hadden gevonden, zich ermee voedden en blij keken naar de andere wortels onder de grond”.

Waar de boeken van Salman Rushdie ware trektochten door een jungle zijn, de boeken van V.S. Naipaul stevige boswandelingen, leest “Dulari” als een wandeling door een stadspark. Het boek is relatief dun, de verhalen zijn niet al te complex en de verhaallijnen kennen relatief weinig zijpaden en uitwijdingen. En toch is “Dulari” een heel mooi en ontroerend boek, dat een groot lezerspubliek verdient. Niet alleen verkiezen veel mensen een parkwandeling boven een jungletocht, ook is er bij nader inzien meer te vinden dan aanvankelijk lijkt. Als je maar de tijd neemt om de hindoestaanse gezichten in het park tot je te nemen om erachter te komen dat achter elk gelaat een aangrijpend levensverhaal schuil gaat. Verhalen die nadrukkelijk overlappen met de levensverhalen van u en mij, de deur openen tot een “sentimental journey” naar het eigen verleden en laten nadenken over het hier en nu. En dat is nou het bijzondere van het lezen van een Nederlands-Surinaams-hindoestaanse schrijver als Usha Marhé. #
(Gepubliceerd in oktober 2007 in OHM-Vani, het kwartaalblad van de stichting OHM)

Recensie 2

Dulari – De weg van mijn naam

In de verhalen in deze debuutbundel staan zes vrouwen centraal die met handen en voeten gebonden zijn aan het hindostaanse leven. Ze staan in het spanningsveld van traditie en vooruitgang, geborgenheid en vrijheid, Suriname en Nederland. Hun levens worden beheerst door liefde en voorbestemdheid, schaamte en roddels, de beperkende familiebanden versus de lokkende vriendenkring. De eerste twee, autobiografisch gekleurde verhalen zijn uitwerkingen van het onderwerp waarmee de auteur als journaliste een groot taboe doorbrak: de onmacht en vernedering van kinderen die met incest zijn geconfronteerd. ‘Roshni’ is misschien het sterkste verhaal: de liefde van een vrouw voor een getrouwde man in de schaduw van het voorbeeld van de levensgang van haar moeder; slim spiegelt het verhaal zich in het verloop van een Hindi-film. ‘Jayvanti’ gaat over de angst van een moeder die haar zoon graag een betere toekomst biedt. Het laatste verhaal, ‘Shakuntela’, overstijgt de clichés van het liefdesverhaal niet en is stilistisch ook zwak. Als geheel een fraai debuut, waarvan de volgroeide vertelstijl respect afdwingt. Vrij kleine druk.

(NBD|Biblion recensie door Michiel van Kempen, augustus 2007)

Recensie 3

Met Dulari terug in romantische Palmentuin
Fictiedebuut Usha Marhé is feest der herkenning

door Delano Weltevreden

 Normen, waarden en tradities zijn prachtig. Tenminste, als ze je leven verrijken. Baby’s vernoemen naar een familielid dat veel voor de ouders betekent is een mooie traditie. Maar (groot)ouders kunnen hun kinderen daarbij ongewild met een last opzadelen. We kennen het allemaal, dat geroddel: ‘Wie geeft z’n kind in deze verlichte tijd zo’n oubollige naam?’ Of ‘zo’n rare naam’.

Volgens de hindoetraditie geef je je kind met zijn of haar naam een grote schat of een grote last mee. ‘Dulari – de weg van mijn naam’, het fictiedebuut van Usha Marhé, gaat over namen. Meer nog gaat het over de invloed die de betekenis van die namen heeft op de levens van zes vrouwen, en over de strijd die ze voeren om hun lot in eigen hand te nemen. Het gegeven van de namen en hun betekenis is de kapstok. En hoewel de zes verhalen zich afspelen in Suriname en Nederland binnen de hindoestaans-Surinaamse gemeenschap, zijn de thema’s universeel. De schrijfster had haar personages net zo goed in Verweggistan of Sintherejezusveen kunnen situeren. ‘Dulari – de weg van mijn naam’ raakt aan thema’s als familiebanden, twijfels, ontrouw, geheime verlangens, agressie, vernedering, seksueel misbruik, generatiekloven, de drang naar een beter leven, allochtonen die hun plek zoeken in een vreemde maatschappij.

Neem het verhaal van Manthorni, het belangrijkste personage in het eerste van de zes verhalen. Een teleurgestelde grootmoeder die op een kleinzoon gehoopt had, krijgt van de goden een kleindochter. Manthorni, noemt ze haar: Zij die mijn hart gebroken heeft. Manthorni is de nazaat van een contractarbeider, die uit India naar Suriname trok op zoek naar een beter leven. Ze wordt geslagen door een dronkelap van een echtgenoot die zijn gezin terroriseert. De band van de grootmoeder met haar kleindochter is sterk. Het meisje bewondert haar nanie. Om haar opvallende onopvallendheid, omdat ze zich wegcijferde om haar kinderen een beter leven te geven. Omdat ze haar kleindochter geloofde toen die een boekje open deed over haar incestueuze ooms. En omdat ze het lef had om haar zus te steunen die wilde trouwen met de man van haar keuze. Als nanie overleden is, doopt haar kleindochter haar in gedachten om. Dulari Laksmi, zou ze haar oma noemen. Naar Laksmi, de godin van licht, rijkdom en huiselijk geluk. Met Dulari als roepnaam, zodat nanie elke dag zou weten dat ze haar kleindochters Lieveling is.

Voor Surinamers die het land kennen, is het fictiedebuut van Usha Marhé een feest der herkenning. Als ze vertelt over de Palmentuin, waar menig verliefd paar warme herinneringen aan bewaart, ben je weer terug op de bankjes onder de wuivende palmbomen. Wanneer Marhé het heeft over schuiltje (verstoppertje) spelen onder een lage-neutenhuis, dan speel je mee. Je bent ook onder dat houten huis op die kleine betonnen palen, je watertandt als een van de personages pindakoeken en roti’s eet. En je krijgt niesneigingen als de Amsterdamse schrijfster vertelt over de pittige geur van uien, knoflook en gele Madame Jeanette pepers die rondzwemmen in een pan hete olie.

Eerder verscheen van de hand van Marhé ‘Tapu Sjén’ (Bedek je schande), het taboedoorbrekende boek waarin ze openlijk vertelt over haar incestervaringen. Fictie is natuurlijk andere koek, maar de schrijfster debuteert in dat genre zeker niet onverdienstelijk. ‘Dulari – de weg van mijn naam’ is een boek, waarin vrouwen van alle culturen zich zullen herkennen. Prima leesvoer voor de vakantie. De 175 pagina’s lezen makkelijk weg: voor je vliegtuig in Turkije of Spanje landt, heb je het boek uit.

Usha Marhé, Dulari – De weg van mijn naam, Uitg. Van Gennep, euro 16,90
(Delano Weltevreden, 21 Juli 2007, Noordhollands Dagblad)

Advertenties