Post Tagged ‘Keti Koti’

I have roots and wings. Gratitude to those before us on whose shoulders we stand. – Standbeeld Baba & Mai, Paramaribo. Symboliseert de aankomst van 64 schepen met circa 34.000 hindostaanse contractarbeiders (uit Hindostan/India) in Suriname vanaf 5 juni 1873 t/m 1916. Toen werd Hindostan in de westerse geschiedschrijving Brits-Indië genoemd, vanwege het kolonialisme; nu staat het land vooral bekend als India. Elk schip was ongeveer 3 maanden onderweg, van Hindostan/India naar Suriname. Door de komst van de hindostaanse contractarbeiders konden de tot slaaf gemaakte Afrikanen in 1873 eindelijk de vrijheid krijgen die hen op 1 juli 1863 was beloofd. Daarom zeg ik: via het pad dat door onze voorouders is afgelegd zijn alle Surinamers voor altijd met elkaar verbonden. (Foto: Ingrid Moesan)

De ‘eerste’ contractarbeiders uit Hindostan/India zetten 146 jaar geleden voet aan wal in Suriname, op 5 juni 1873. Dat feit, deze Ápravási Divas, wordt jaarlijks op deze dag in Suriname en Nederland herdacht, omdat er intussen ook veel nazaten van die contractarbeiders in Nederland wonen. Suriname was een Nederlandse kolonie en wingewest van 1667 tot en met 1975.

Contractarbeid
De Lalla Rookh was een dag eerder aangemeerd. De reis ving aan op 26 februari 1873 en duurde iets langer dan drie maanden. Onderweg stierven elf van de driehonderdentachtig contractarbeiders. Van 1873 tot en met 1916 zijn er in totaal vierenzestig schepen met circa vierendertigduizend (34.000) Indiase/Hindostaanse contractarbeiders in Suriname aangekomen. Voor die tijd waren er al Hindostaanse contractarbeiders in Suriname aanwezig, uit andere gebieden in de regio. Maar nu ging het om een grote ‘administratieve onderneming’, zoals de slavernij van Afrikanen voor de kolonisator ook een ‘administratieve onderneming’ was. In totaal zijn er circa 3.5 miljoen Indiase contractarbeiders over de hele wereld verspreid geraakt tussen 1833 en 1920. De contractarbeid begon rond/na de afschaffing van de slavernij in 1933 in de Britse koloniën.

Bericht van vertrek (Algemeen Handelsblad) en aankomst (Surinaamsche Courant en Gouvernements Advertentieblad) over de Lalla Rookh, in kranten uit 1873. Gevonden via Delpher.

Goedkope arbeidskrachten
Waarom die 34.000 contractarbeiders werden geïmporteerd? Onder groter wordende (inter)nationale druk had het koloniale Nederlandse bewind van Suriname de tot slaaf gemaakte Afrikanen hun vrijheid op 1 juli 1863 beloofd. Deze Afrikanen waren de goedkope arbeidskrachten die zorgden voor een gevulde beurs van hun eigenaren. Wie moest het geld verdienen voor die eigenaren als er geen goedkope arbeidskrachten meer zouden zijn? Dus werden de Afrikanen verplicht om tot 1 juli 1873 door te werken, totdat dit ‘probleem’ was opgelost. En deed men wat er altijd is gedaan in de geschiedenis van Nederland: men zocht een substituut voor die goedkope arbeidskrachten. Dealtje met Engeland gemaakt, de toenmalige kolonisator van India, er werden wat koloniale bezittingen geruild en afspraken gemaakt. Hup, ‘volksverhuizing’ nummer zoveel, om de kassa van Europese eigenaren en Europese koloniale mogendheden te blijven vullen. Ja, de Gouden Eeuw is niet uit zichzelf ontstaan, die groeide over de ruggen van al deze ‘goedkope arbeidskrachten’.

Koloniale hiërarchie
De tot slaaf gemaakte Afrikanen konden op 1 juli 1873 hun vrijheid krijgen doordat de Indiase contractarbeiders hen kwamen aflossen. Wisten ze dat toen van elkaar? Misschien vaagjes, maar niet echt. Het was stuivertje wisselen voor de kolonisator en de plantage-eigenaren, de arbeiders waren ‘bezit’, ‘dingen’. Suriname kreeg ook contractarbeiders uit Java, en werd steeds gevarieerder qua bevolkingssamenstelling, culturen, eten, muziek, verhalen, talen, religies, enzovoorts.

De Nederlandse verdeel- en heerspolitiek maakte dat al die mensen van verschillende herkomsten wantrouwig naar elkaar bleven kijken. De voormalige tot slaaf gemaakte Afrikanen keken grotendeels neer op de nieuwe contractarbeiders, die vanaf toen de slavenarbeid overnamen. De koloniale hiërarchie op basis van kleur en herkomst speelde een zeer grote rol in de vorming van de Surinaamse maatschappij, en speelt helaas tot nu toe door, ook in de Surinaamse samenleving in Nederland. Hoe het in Nederland doorwerkt, kunnen we elk jaar o.a. meemaken in de discussies over zwarte piet-niet.

Geschiedenis: perspectief en context
Tegenwoordig leren we veel over perspectief en context. Vanuit wiens perspectief is ‘de’ geschiedenis geschreven, welke woorden zijn daarbij gebruikt, wat is onze eigen kijk op de verhoudingen en wat er is gebeurd? Wat geven wij door aan de volgende generaties en hoe? Black en brown bodies zijn in de loop van de eeuwen steeds vanuit het koloniale witte perspectief beschreven, en bleven in de meeste gevallen naamloos en identiteitsloos, omdat ze als ‘dingen’ werden gezien en geregistreerd. Marrons waren ‘weglopers’ i.p.v. vrijheidsstrijders, contractarbeiders die zich verzetten tegen de onmenselijke behandeling zijn ook niet als vrijheidsstrijders in de koloniale geschiedschrijving genoteerd, maar als ‘opstandelingen’.

‘De geschiedenis’ is vanuit de ogen van de eigenaar en de meester geschreven, en dat is wat wij als nakomelingen van deze voorouders ook heel lang in het onderwijs hebben geleerd. In Suriname leerden we door witte perspectieven naar onszelf en onze voorouders kijken. En kregen een 10 als we tijdens de geschiedenisrepetities onze voorouders die voor hun vrijheid en lijfsbehoud streden als weglopers, luie mensen en opstandelingen beschreven.

In Nederland leerde de witte mens ons ook door deze perspectieven te bekijken, te ‘framen’. Uit de huidige discussies blijkt dat veel witte inheemse Nederlanders er erg veel moeite mee hebben om dit perspectief, dat diep in het witte mentale, emotionele en culturele dna zit, te bekijken, te herzien en los te laten. Ook onder (oudere) Surinamers zijn er mensen die er moeite mee hebben om zichzelf en hun medemensen niet door deze aangeleerde witte bril te bekijken.

Brief in het Algemeen Handelsblad van 28-02-1873, waardoor de toenmalige context van het koloniale denken over de contractarbeid duidelijker wordt. Gevonden via Delpher.

Zichtbaar maken van onze voorouders
Even terug naar het verleden: in de Surinaamse geschiedenis werd dat ‘naamloze’ van de black en brown bodies eindelijk stopgezet vanaf de grootschalige import van contractarbeiders, omdat er verplicht moest worden geregistreerd. Circa twee derde van de gegevens over de Indiase contractarbeiders is al een tijdje digitaal terug te vinden via Ga Het Na, evenals die van de 6781 manumissies van tot slaaf gemaakte Afrikanen, en van de circa 2780 Chinese en 32965 Javaanse contractarbeiders. Eind juni 2018 zijn de gegevens van de slavenregisters van iedereen die in slavernij leefde tussen 1851 en 1863 openbaar gemaakt – circa 80.000 mensen! – , als resultaat van het project ‘Maak de Surinaamse slavenregisters openbaar’.  Zo krijgen steeds meer van onze voorouders, uit welke windstreek ze ook kwamen of werden geplukt, steeds meer een naam en identiteit, en worden ze ontdaan van de status van ‘ding’, ‘bezit’. Dit zorgt voor steeds meer bewustwording en healing bij de nazaten, en steeds betere geschiedschrijving.

 


Geschiedenis is springlevend
‘Geschiedenis’ is iets dat springlevend is, wat is geschied leeft in ons allemaal door, want wij komen voort uit wat is geschied. Laten wij blijven onderzoeken en verhalen blijven uitwisselen. Laten we steeds meer zelf opschrijven. ‘De naamloze ander’ komt steeds meer tot leven via de nazaten die zich niet laten muilkorven. Aan wat er is gebeurd kunnen we niets meer veranderen, maar we kunnen er wel een juistere context en perspectief bij zoeken. Daarbij denk ik ook aan onze inheemse broeders en zusters, wiens voorouders veel onrecht is aangedaan. Zij waren de eerste tot slaaf gemaakten van de Europese expansiedrift in ‘Amerika’ en zijn massaal vermoord. Hun namen zijn nergens genoteerd. In de koloniale geschiedschrijving kregen ze de naam ‘Indianen’ mee, hun land werd ‘Amerika’ genoemd. Ook zij werden als ‘savages’ omschreven in de koloniale geschiedschrijving. De echte namen van het inheemse volk en dat werelddeel zijn onbekend in de internationale setting, ook dat is aan verandering toe.

Groeiend bewustzijn
Er is nog heel veel te onderzoeken en te doen. Ik hoop dat we door groeiend bewustzijn steeds nader tot elkaar zullen komen. En daarmee recht doen to those on whose shoulders we stand. Ik wens u allen een mooie jaarlijkse herdenking toe van deze Ápravási Divas, een dag waarbij ik persoonlijk aan de voorouders van alle Surinamers denk, omdat op 5 juni 1873 onze kismet, ons lot voorgoed met elkaar werd verbonden. In het Surinaamse volkslied wordt dat sinds 1959 zo verwoord: ‘Wans ope tata komopo, Wi mu’ seti kondre bun…’

Soso lobi!