Post Tagged ‘Nederland’

Het omstreden standbeeld van Jan Pieterszoon Coen, ‘de slachter van Banda’, op de Roode Steen (plein) in zijn geboortestad Hoorn. Onthuld op 30 mei 1893. In oktober 2016 werd het beeld uit protest tegen ‘koloniale verheerlijking’ en ‘koloniale misdaden’ beklad. Foto: De Grauwe Eeuw

Nederland heeft altijd geweten van de volkerenmoord en andere wrede daden van Jan Pieterszoon Coen (Hoorn, 8 januari 1587 – Batavia, 21 september 1629). ‘De slachter van Banda’ was vanaf 1621 zijn bijnaam. En toch werd besloten hem in 1893 met een standbeeld in Hoorn als nationale held te eren en hem in te zetten als internationaal promotiefiguur. Een tweede (kleiner) beeld van Coen staat sinds 1903 in Amsterdam, bij de Beurs van Berlage. Er was al protest voordat het standbeeld in Hoorn er stond, want reeds tijdens zijn leven was hij zeer omstreden. Dat protest is nooit verstomd. Het is anno 2020 in volle hevigheid terug, mede door (internationale en nationale) dekolonisatieprocessen en door de groeiende (nationale en internationale) protesten tegen racisme. Vrijdag 19 juni 2020 is er opnieuw een demonstratie in Hoorn. Op internet kunnen twee petities (1) worden getekend (2). Het gemeentebestuur van deze stad heeft nog steeds moeite met het nemen van het besluit het standbeeld te verwijderen.

In 2021 is het precies vierhonderd jaar geleden dat Coen als ‘de slachter van Banda’ tekeer ging. Hoog tijd om vóór 8 mei 2021 het standbeeld in Hoorn van zijn sokkel te halen, het in een museum te herbergen en van een juistere context te voorzien. En misschien dan ook eindelijk het verboden toneelstuk van schrijver J. Slauerhoff op de planken te brengen.

Want het ging zover dat er ook politiek is ingegrepen om kritische geluiden over Coen (en de VOC) te smoren. De opvoering van zijn toneelstuk over Coen werd niet zo lang geleden tot minstens twee keer toe geboycot vanwege de ‘gevoeligheden’, onder andere vanwege de nieuwe genocides, de zogenaamde ‘politionele acties’ in Nederlands-Indië. “In 1948, het vijftigste geboortejaar van Slauerhoff, zou diens toneelstuk ‘Jan Pietersz. Coen’ worden opgevoerd ter opening van de Boekenweek. Zes dagen voor de première stak burgemeester D’Ailly hier een stokje voor. Dit was niet de eerste keer dat het gezelschappen niet werd toegestaan dit stuk op te voeren.” In 1961 zou er weer een opvoering plaatsvinden. Toen stak  Gijsbert van Hall, de toenmalige burgemeester van Amsterdam, er een stokje voor. Hij gaf uiteindelijk slechts toestemming voor een eenmalige besloten voorstelling.

‘Slachter van Banda’
Wat mag de Nederlandse burger niet weten over Coen en zijn companen? Ja, want hij handelde  immers niet alleen namens zichzelf. Coen was toen al een van de bekendste en beruchtste medewerkers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC, 1602-1800). Hij was vanaf 1617 de vierde gouverneur-generaal over Nederlands Oost-Indië.

Hoe kwam hij aan de bijnaam ‘Slachter van Banda’?

“In 1621 trad Coen hard op tegen de Bandanezen die onder druk van de Engelsen hun specerijen-contract niet nakwamen. Hij reisde met een grote vloot naar de Banda-eilanden. Hoewel de bevolking vluchtte ontkwamen slechts weinigen. Naar schatting overleefden slechts zeshonderd van de 15.000 Bandanezen de aanval. Bekend is dat de VOC tijdens deze volkerenmoord Japanse samoerai-beulen die in dienst waren van de VOC, opdracht gaven tientallen dorpshoofden te onthoofden. Jan Pieterszoon Coen, die het monopolie op de handel in nootmuskaatnoten en foelie veilig had gesteld, kreeg door deze gebeurtenis de bijnaam: Slachter van Banda.” (Bron: Historiek.net)

In 1622, een jaar later al, verscheen een boek met een verslag van Coens actie: ‘Verhael van eenighe oorlogen in Indië’. In dat boek vertelt een anonieme ooggetuige dat op 8 mei 1621 op Banda, buiten het Fort Nassau, onder hevige slagregens aan 44 veroordeelden hun vonnis werd voorgelezen, waarna zes Japanse huurlingen met scherpe zwaarden eerst de acht belangrijkste leiders `door midden kapten, het hoofd afsloegen en de rompen in vier quartieren smeten’, om daarna de overigen te onthoofden en eveneens te vierendelen, `welke executie zeer wredelijk was om aan te zien.’ (Bron: Antenna)

Plakkaat op Bandaneira met de namen van de geëxecuteerde eilanders. Foto: Michiel Baas

Coen kwam, na de genocide en andere wrede daden, op 19 september 1623 in Nederland aan. ‘Drie dagen later bracht hij in een vergadering der Heren XVII een uitvoerig verslag uit, en ontving als waardering een gouden keten met medaille, een vergulde degen, en een aanzienlijke geldelijke beloning.’ (Bron: Wikipedia)

In 1886 publiceerde J.A. van der Chijs: ‘De vestiging van het Nederlandsche gezag over de Banda Eilanden (1599-1621)’. Hij schreef: ‘tijdgenooten, gewoon aan wrede en lichtvaardige executies, spraken luid hun afkeuring uit over hetgeen Coen toeliet, zo niet gelastte, aan weerloze en eigenlijk onschuldige Bandasche hoofden te verrichten; met hoeveel meer recht mogen wij onze verontwaardiging over zodanige handelwijze, ons afgrijzen van zulk moorden te kennen geven. Ware voor Coen niet reeds een standbeeld opgericht, ik betwijfel of zulks nog zou verrijzen. Aan zijn naam kleeft bloed.’ (Bron: Antenna)

Het beeld waarop hij doelde, is waarschijnlijk het standbeeld van Coen dat op 4 september 1876 in Batavia werd onthuld. Ja, in de kolonie, in het land waar zijn slachtoffers en hun nazaten woonden en vandaan komen. Blijkbaar was er een soort idee om Coen tot Nederlandse volksheld te bombarderen, want op 30 mei 1893 werd er in zijn geboorteplaats Hoorn een standbeeld van hem onthuld. Enkele dagen voor de onthulling publiceerde uitgever Ferdinand Domela Nieuwenhuis van het blad ‘Recht voor Allen’ een verzetschrift tegen de ‘bloedhond’ Coen en de voorstanders van het standbeeld. In het weekend van 27 en 28 mei 1893 kon Nederland de volgende, nog steeds actuele tekst lezen:

Een standbeeld voor Jan Pieterszoon Coen

Op Dinsdag den 30sten Mei a. s. zal te Hoorn een standbeeld worden onthuld voor Jan Pieterszoon Coen, gouverneur-generaal in dienst der Oost-Indische kompagnie. Bij de oprichting van dit standbeeld, bij het feestgelag, waar onze handelaars en fabrikanten met elkaar zullen klinken op het „welzijn” zoogenaamd van Indië, vragen wij een oogenblik gehoor!

Gehoor in naam van de duizenden ongelukkigen, die wij, Europeanen, in Oost-Indië hebben gemaakt, erfenis in alle deelen der aarde, waar wij in den naam van den handel de banier plantten van wat wij in onze boeken en onze standbeelden noemen: de beschaving, maar welke in werkelijkheid was de banier van roof, moord en bloeddorst.

Gelijk men in onze eeuw de arbeiders afbeult, mishandelt, uitzuigt tot op de beenderen in het vaderland zelf, zoo hebben de handelaars der 17e eeuw zoowel als hun nakomelingen hier te lande tot op onzen dag de inboorlingen onzer Oost-Indische eilanden uitgezogen, gebrandschat en uitgemoord.

Wij vragen gehoor voor eenige mededeelingen omtrent het lot dat de arbeidende bevolking van Indië van onze handelaars en zoogenaamde „zeehelden” heeft te doorstaan gehad.

Een man die zijn werk heeft gemaakt van de bestudeering der Christenleer en hare uitwerking, W. Howitt, 1) zegt van de wijze waarop wij, westersche christenen, in de koloniën huishielden: „De barbaarschheden en roekelooze gruweldaden van de zoogenaamde christelijke rassen, bedreven in elke streek der wereld en tegen elk volk, dat zij maar konden onderwerpen, vinden hun weerga niet, in welk tijdvak der wereldgeschiedenis ook, bij geen volkenras, het moge nog zoo wild en onbeschaafd, zoo onmeedoogend en schaamteloos zijn.”

Een ander schrijver, de bekende Engelsche staatsman Thomas Stamford Raffles, luitenant-generaal van Java, dat in 1811 aan Engeland was gekomen, 2) zegt van de geschiedenis van Holland’s koloniën – en Holland was in de 17e eeuw het model waarnaar de andere staten zich richtten – dat het „een onovertrefbaar beeld ontrolt van verraad, omkooperij, sluipmoord en laagheid.”

Er is niets zoo karakteristiek voor ’t koloniaal stelsel zelf als de menschendiefstal op Celebes, gedreven om slaven voor Java te verkrijgen. De menschendieven werden tot dat doel afgericht. De dief, de tolk en de verkooper waren de hoofdagenten in dezen handel, de vorsten onder de inboorlingen waren de verkoopers. De gestolen jeugdige personen werden in geheime gevangenissen op Celebes weggestoken, tot zij rijp waren, ten einde op de slavenschepen te worden weggezonden.

Een officieel bericht zegt: „Deze enkele stad, Madagascar, b. v. is vol van geheime gevangenissen, de eene al afschuwelijker dan de andere, opgevuld met rampzaligen, offers der hebzucht en tirannie, in ketenen geboeid, met geweld aan hunne familie ontrukt.”

Om zich meester te maken van Malakka kochten de Hollanders den goeverneur om, handelaars die ze waren. Hij liet hen in 1641 in de stad. Ze haastten zich oogenblikkelijk naar zijn huis en vermoordden hem daar, opdat zij de omkoopingsom van 21.875 ponden sterling (een pond sterling is 12 gulden) niet zouden behoeven te betalen.

Waar onze voorvaderen — de Hollanders die wij in onze boeken bezingen en voor wien wij standbeelden oprichten — de voeten zetten, daar volgde verwoesting en ontvolking.

Banjoewangi, een provincie van Java, telde in 1750 ruim 80.000 inwoners, in 1811 telde het er nog maar 8000. Dat zijn de gevolgen van den handel. Zoo hebben onze voorvaders als beesten huisgehouden.

Wie was Jan Pieterszoon Coen?
Hij was de vleesch geworden Hollandsche handelaar der zeventiende eeuw, die voor geen gruweldaden terugschrikte, wanneer de Oost-Indische Kompagnie in wier dienst hij was er door gebaat werd. Een goeden naam te vinden voor dezen afschuwelijken man is moeielijk. Het best vinden wij nog de betiteling, die wij eens bij een schrijver van hem lazen, die van „bloedhond”.

Wij willen hier niet vele geschriften omtrent Coen aanhalen. Wij willen slechts enkele bijzonderheden van hem mededeelen aan de hand van het werk: ,,Het land van Jan Pieterszoon Coen” door Dr. W.A. Terwogt (enkele onleesbare woorden in het originele bericht) omdat ze alle met elkaar overeenstemmen en alle Coen niet te zwart, maar omgekeerd… veel te gunstig afschilderen.

Want laten wij voorop stellen dat de portretten die in onze vervalschte vaderlandsche geschiedboeken voorkomen omtrent eigen landgenooten niet vrij zijn van snoeverij en ophemelarij. Konden wij onze geschiedenisboeken vertrouwen dan waren onze voorvaderen, vooral die der 17de eeuw trouwe, eerlijke, geloovige, rechtschapen mannen niet alleen, maar helden zonder weerga tevens, en hebben wij alle veld- en zeeslagen zoowat gewonnen, niettegenstaande helaas de vrede dikwijls uitviel ten nadeele van Holland.

De auteur van het artikel in ‘Recht voor Allen’, Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) – Foto: Rijksmuseum

Wij willen hierover niet meer zeggen. Wij wijzen er alleen op, dat wanneer zelfs in onze eigen boekwerken (niet door arbeiders geschreven) mannen als Coen werden aangevallen, zij het gewis zeer bont gemaakt moeten hebben. In het boven aangehaalde werk van Terwogt wordt van Jan Pietersz. Coen o. m. gezegd: „Coen had evenmin als de heeren XVII (der Oost-Indische kompagnie) gewetensbezwaren, waar het gold de natuurlijke rechten van de inlanders te vertreden, want gelijk de heer P. A. Tiele even scherp als waar opmerkt: „De Oosterlingen met wie wij in aanraking kwamen, waren meerendeels ongeloovigen, vijanden van het Christendom, vijanden van den waren God en als zoodanig onze natuurlijke vijanden. Verdragen met hen behoefden wij slechts te eerbiedigen, voor zoover het met onze belangen overeenstemde. Recht bezaten zij tegenover ons niet.”

Ziehier inderdaad het standpunt, waarop Coen zich altijd geplaatst heeft. De schrijver van „Het land van Jan Pieterszoon Coen” voegt er aan toe: „Een fraaie leer, welke Coen uitstekend te pas kwam voor het doel van al zijn streven „de possessie (het bezit) van de geheele Indische negotie” voor de compagnie te bemachtigen eene leer. Welke hij, moeten wij aannemen, met volle overtuiging was toegedaan, zal hem niet ondanks al zijn geestkracht en talenten in de geschiedenis van zijn volk een plaats der schande dienen toegewezen, als aan eenen, die ter wille van zijn winstbejag — niet voor zich maar voor de compagnie, welke hij diende — „alle hooger rechtsgevoel, alle eerlijkheid, alle menschelijkheid” met voeten heeft getreden.

Volgens ons kan het niet mede in rekening gebracht worden dat Coen zich verschool achter zijn godsdienst, zijn calvinisme, en blijft Coen steeds een plaats der schande innemen in de geschiedenis van zijn volk! En de omstandigheid dat Coen zich telkens als calvinist voordeed en in elk schrijven na een van zijn gruweldaden aan de Oost-Indische kompagnie zich beriep op den Heere Heere doet hem in onze oogen nog afzichtelijker schijnen. Laten wij den lezer eerst eens een staaltje mededeelen hoe Coen door handelsbelangen gedreven omsprong, zelfs met eigen landgenooten, dan zal de rest … minder verwonderlijk voorkomen.

De Oost-Indische Kompagnie had ook onder de kooplieden in het vaderland vijanden, een der geduchtste was de Amsterdamsche koopman Isaac Lemaire, die met den scheepskapitein Schouten, geholpen door eenige rijke ingezetenen van Hoorn in 1615 twee schepen uitrustte, om een Zuid-Westelijken weg naar Indië te vinden anders dan door de gevaarlijke straat van Magelhaen. Dan was het oktrooi niet meer van kracht van de Oost-Indische Kompagnie, waarbij elke handel was verboden met Indië door de straat v. Magelhaen en of beoosten Kaap de Goede Hoop.

Schouten met Lemaires zoon Jacob, voerden langs „Vuurland” door een nieuwen weg (straat Lemaire genoemd). Een der schepen ontkwam aan den storm en viel in 1616 te Jacatra (later Batavia) binnen. Coen wist, dat het oktrooi der O.-I. K. niet was ontdoken. Maar wat doet het er toe: Macht was recht en Coen legde beslag op het laatst overgebleven schip. Wel moest later de O-I. K. schadeloosstelling betalen, maar zij wist wel, … elkeen  den moed ontbreken zou … de Kompagnie…. te schieten. … hem is het geen wonder dat hij geen middel, verraad noch moord te slecht vond óm tegen de Engelschen en Portugeezen en nog meer tegen de arme inboorlingen op te treden.

Toen Coen tegen alle overeenkomsten in het eiland Onrust tegenover het latere Batavia liet versterken en er de woningen der arbeiders van de O.-I. K. liet overbrengen, wist hij wat hij deed. En al kwam de regering van Bantam er tegen op daar aan haar het eiland behoorde, Coen liet ze protesteeren. „Waar de macht is, komt later wel het recht, dacht Coen.” (Het land van Jan Pietersz. Coen, blz. 169.) Coens optreden werd steeds brutaler sints hij na Reael op zij geschoven te hebben in 1618 Gouverneur-Generaal werd.

Zijn inneming van Jacatra (later Batavia) op 30 Mei 1619 was een voorbeeld van sluw en karakterloos overleg, gepaard aan onmiskenbaren moed en brutaliteit. Coen stond voor niets, hield zich trouweloos aan geen enkele overeenkomst en was zonder genade als hij doortastte. „De Jacatranen waren reeds op de vlucht gegaan, doch 3000 Bantammers hadden stand gehouden. Verwoed, als moesten ze enteren, vliegen de Hollanders op hen aan; de Javanen verstuiven als bladeren voor den stormwind ; wat weerstand biedt wordt over de kling gejaagd; Jacatra heeft zijn schuld betaald. Muren en bolwerken werden met den grond gelijk gemaakt, dalem nóch moskee werd gespaard, het oude Jacatra ging in vlammen op, het had opgehouden te bestaan, Coen had zich gewroken.”

Lezer, deze woorden uit ,,Het land van Jan Pietersz. Coen’’ zijn veel te zwak. Er zijn geen woorden te vinden voor de sluwe doortraptheid, de eerloosheid, de ruwe moordlust waarmede de Hollanders zich van Jacatra evenals van de rest onzer bezittingen meester maakten. De betiteling beestachtig en ploertig geeft ons geen inzicht in de bedreven gruwelen en voor Coen zelf blijft er maar éen woord passen, dat van »bloedhond«.

Coen bleef voortmoorden na deze overwinning en – met vrucht. Den Laten Mei 1621 waren >>alle de steden ende sterckten van Banda door Godts genaede ingenomen, geraseert (kaal geschoren), verbrandt<<.

Laten wij nog alleen ter kenschetsing der heldendaden van dezen gouverneur-generaal van Indië een schildering geven van een terechtstelling van een 40-tal der aanzienlijkste inwoners van Banda op 6 Mei 1622.

Een jongen (zelf Bandanees) had het gerucht verspreid dat hij tegenwoordig was geweest bij een … vergadering … waar  besloten werd in de nacht  op 22 April van dat jaar de Nederlanders te overrompelen.

Op grond van deze „op zich zelve staande, door geen enkel bewijs gestaafde verklaring van een kwajongen” liet Coen een 40-tal der aanzienlijkste Bandaneezen voor een rechtbank dagen, wier leden door hem zelven waren benoemd. Het was een uitmuntende gelegenheid om zich van hen te ontdoen, ze werden gruwelijk gepijnigd om hen te dwingen tot bekentenis. Zoo gruwelijk en zoo „rigoureus” (gestreng) dat „twee haer selven in torture verstict hebben.” De lijken werden eenvoudig in zee gesmeten. Een der ongelukkigen sprong uit wanhoop over boord en verdronk. Sommige schrijvers beweren dat geen hunner bekende, maar allen protesteerden „van innocentie” (onschuld). Volgens Coen hebben ze schuld bekend. ’t Doet er ook niet toe. Onder zulke pijnen zou menig onschuldige schuld bekennen.

Schilderij van de moordpartij op Banda. Te bezichtigen in het museum op Bandaneira. Foto: Michiel Baas, antropoloog.

Ziehier nu de schildering die door Dr. Terwogt, (blz. 219) van de terecht(?)stelling gegeven wordt. „Buiten het fort Nassau (op Neira) werd met lange bamboestaken eene omheining gemaakt, welke den 8sten Mei met soldaten werd afgezet. De veroordeelden werden geboeid daar binnen gebracht. Acht hunner „de meest schuldigen,” plaatste men afzonderlijk; de overigen stonden als een troep schapen in een verwarden hoop. Onder een slagregen werd aan de veroordeelden hun vonnis voorgelezen. Zes Japaansche huurlingen traden toe, zwaaiden hunne vlijmscherpe zwaarden en kapten door midden in de eerste plaats de „meest schuldigen””, de acht voornaamste Orang-Kajas, sloegen hun daarna het hoofd af en „smeten de rompen in vier quartieren.” „Vervolgens onthoofden en vierendeelden zij de overigen, »welcke executie seer wreedelijcken was om aen te sien.” „Geen hunner verzette zich. Slechts een vroeg in het Hollandsch: „mijn Heeren, en isser dan geen genade ?” „Neen er was geen genade. Heeren Bewindhebbers hadden geschreven: „het is geraden de principaelle uit te roeyen”….

Dit over de gruweldaad van Coen.

Hoe stelselmatig overigens hij te werk ging in het uitroeien van de inlanders, kan nog blijken uit zijn woorden geschreven aan Marten Sonck de gouverneur der Banda eilanden op 28 Oct. 1622: „Wij meenen best wesen zal, dat UE ’t eenemael van al ’t mannelyk geslacht van Banda ontlast wordt.”

Dat is niet meer strijd voeren, dat is moorden!

„Zoo is” schrijft dan ook P. A. Tiele (Bouwstoffen enz. I. Inleiding XLVI) „ter wille van het monopolie de welvarende bevolking van een schoone eilandengroep, die tevoren op 15000 zielen geschat werd, op de koelbloedigste wijze uitgeroeid.”

Laten wij verder over Jan Pieterszoon Coen zwijgen. Geheel zijn leven is één aaneenschakeling van daden, zooals de bovengeschilderde. Wat men ter zijner verontschuldiging aanhaalt, kan door menschen, die nog eenig menschelijk gevoel hebben, niet aanvaard worden.

Men wischt de bloedvlekken niet af van Coen’s nagedachtenis door de bewering, dat hij moet beschouwd worden als een kind van zijn tijd, dat hij handelde als „Calvinist”. Coen is en blijft een hond.

Het herdenkingsmonument op Bandaneira. Op de achtergrond het plakkaat met de namen. Foto: Michiel Baas

Wij kunnen niet instemmen met woorden als die van dr. Terwogt (ter aangehaalde plaatse, blz. 256): „Al huiveren wij, zonen der 19e eeuw, terug van den man, die, terwille van de door de Compagnie gehuldigde handelspolitiek, alle hooger rechtsgevoel, alle eerlijkheid, alle menschelijkheid verloochende, hij, de Calvinist der 17e eeuw, was er van overtuigd dat de „Indianen”, de vijanden waren van den waren God, als zoodanig geen natuurlijke rechten bezaten, ja, dat het een Gode welbehagelijk werk was „dien goddeloozen hoop te verdelgen” en handelde dienovereenkomstig.”

Voorwaar, zulk een redeneering gaat niet op. Zóó beschouwd was elk monster een kind van zijn tijd en behooren wij ook de gruweldaden van een Nero te bedekken met den mantel der liefde. Het laat ons koud, dat Coen „Calvinist” was. Zoo hij handelde onder het masker van den godsdienst, onze verachting kan er alleen des te dieper om zijn.

* * *

De arbeiders van Hoorn mogen zelf oordeelen of zij tegenwoordig wenschen te zijn bij de onthulling van een standbeeld voor een hond. Wij meenen onzen plicht te hebben gedaan met velen in te lichten, niet alleen in Hoorn en omstreken, maar in het geheele land.

Slechts een enkel woord nog:

Op 30 Mei zal bij de onthulling van Coens beeld de feestrede worden uitgesproken te Hoorn door den katholieken priester Dr. Schaepman, — een feestrede van een R. K. priester over een Calvinistischen hond, althans over een hond, die zich achter den Calvinistischen godsdienst verborg bij zijn beestachtigheden. Er is nog een ander ingezetene van Hoorn, die zeer zeker het woord zal voeren, het is Van Dedem, rijk geworden door de exploitatie der ongelukkige Indische bevolking!

Lezers, zoudt gij meenen, dat mannen als deze katholieke priester, als deze rijk geworden Indische Nabob, ook zouden medewerken voor de onthulling van een standbeeld, wanneer het ware opgericht voor een man, die zijn krachten wijdde aan de welvaart, aan het geluk der Indische bevolking, voor een man b.v. als Multatuli, die opkwam voor de rechten der vertrapte Javanen, die geeselde met zijn pen:

„Al wat er knaagt aan Insulindsche (Oost-Indische) knoken,
„Al wat er zuigt aan Insulindsche koe,
„Al wat er hangt aan d’ afgestroopten tepel,
„Al wat er zwelt van ’t afgezogen bloed.”

O neen, lezers, zeggen wij wat waar is. Ze vieren feest, omdat zij behooren tot hen, die de oorzaak zijn dat de arbeider in Nederland zijn brood niet meer vindt bij zwaren arbeid en zwoegt en werkt en zich een breuk tilt onder zware lasten, en dat de Indische bevolking ook thans nog wordt uitgezogen tot op de beenderen. Foei over hen! #

1) In zijn werk: »Kolonisatie en Christendom (Colonization and Christianity) blz. 9.

2) Zie zijn werk: Java and its dependencies (Java en onderhorigheden).

Dr. W. A. Terwogt – Het Land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis der Nederlanders in Oost-Indië, aan het Nederlandsche volk verhaald. – Hoorn, P. Geerts, 1892 – Eerste druk

De aankondiging van de onthulling van het standbeeld in 1893. Foto: H.A.M. Stumpel (Wikipedia)

 

Overigens is er in de argumenten van de liefhebbers van Coen als held en van zijn standbeeld door de tijd heen niet veel veranderd, zoals blijkt uit de volgende tekst. Vanuit deze argumenten bedacht zouden er dus overal standbeelden kunnen worden opgericht om genocideplegers te vereren, omdat men ook oog zou moeten hebben voor ‘de lichtkant’ van genocides, en zou volgens hun beredenering ook het huidige Internationaal Strafhof in Den Haag opgeheven kunnen worden. Het Algemeen Handelsblad publiceerde (een week na de onthulling van het standbeeld) op woensdag 7 juni 1893 een ingezonden stuk als antwoord op de kritiek, inclusief een hint naar het artikel van Domela Nieuwenhuis. De naam van de schrijver staat helaas alleen met de initialen vermeldt. De tekst volgt na de foto.

De binnenplaats van het fort waar de slachtpartij plaats vond, zie voor meer details van destijds het schilderij in dit artikel. Foto: Michiel Baas

 

Aan de Redactie!

’t Was te verwachten, dat de onthulling van het standbeeld van een van die mannen, waaraan Nederland zijn grootheid en bloei te danken heeft, aanleiding zou geven tot verschillende beschouwingen. Dat de moderne humanisten er geen vrede mede zouden hebben was te voorzien, want, met allen eerbied gezegd, hét heeft er wel iets van, dat die factie aan de kwaal der eenzijdigheid lijdt. De schaduwzijde zien zij wél, maar de lichtkant wordt geheel genegeerd.

Hiermede heb ik meer bepaald het oog op de redevoering van den heer Bax in Ons Huis, als het eerste in verschillende bladen ten minste juist is geweest, want zelf heb ik die niet gehoord. In het voorbijgaan gezegd, betreur ik, dat eene zoo voortreffelijke inrichting van haar oorspronkelijk doel af te wijken, door sommige sprekers uit te noodigen die theorieën verkondigen, voor het rustige, degelijke werkvolk minder geschikt.

Ook in de dagbladen is de beoordeling over Jan Pieterszoon Coen zeer verschillend; wij hebben er zelfs een gelezen, waarin van Coen niet voel meer dan een gewetenloze moordenaar overblijft; wel is het eenigszins zonderling, dat ditzelfde, blad, dat zich zoo sterk beijverd voor volkswelvaart, geheel voorbij ziet wat het volk onmiddellijk aan hem te danken heeft gehad; zelfs nu nog heeft. Wanneer men de donkere zijde in het debet brengt, dient, ter wille der onpartijdigheid, toch ook de verdienste in het credit gebracht te worden!

Schrijver is te veel kind van zijn tijd, om het niet te betreuren, dat de onpartijdige geschiedenis verplicht is daden te vermelden, die naar ons tegenwoordig oordeel de nagedachtenis van de meeste energieke mannen ontsieren, maar daarbij is hij ook genoegzaam op de hoogte der geschiedenis, om te weten dat er omstandigheden zijn, welke die handelingen meer verklaarbaar maken, zoodat men de bedrijvers niet per se als onmenschelijke monsters behoeft te verfoeien. Coen was een kind van zijn tijd, als zoodanig moet hij worden beoordeeld, niet naar onze begrippen van humaniteit en zedelijkheid. Het toen levende geslacht was geboren en opgegroeid, toen Europa en ook ons vaderland ‘haast in voortdurenden staat van oorlog verkeerden. De zucht naar ontdekkingen van nieuwe handelsbronnen, noem het maar avonturen, was in onze voorouders levendig geworden, even als bij de Spanjaarden en Portugeezen een eeuw vroeger. Onze vroegere bondgenoot, Engeland, werd een sterk concurrent. Geen dier volkeren nam het zoo bijzonder nauw met onderworpen Ooster- of Westerlingen, en de Hollanders ook niet: zoo goed Calvinist waren zij niet, om niet zoo na en dan de leer te huldigen “dat het doel de middelen wettigt”. Zij deden eenvoudig wat onderen deden; zorgen dat ze de baas werden en op bezette plaatsen de baas bleven. Het waren practische mannen, die zich weinig met philanthropische soezerijen het hoofd braken. Het was de geest des tijds, zelfs nog versterkt door de leer der kerk, zoode Roomsche als die van Calvijn; niet-Christenen stonden buiten de wet.

Maar — zal men met recht zeggen — dat verontschuldigt toch Coen’s daden en die van anderen niet. Zeker niet geheel, maar er is meer dat ter hunner verontschuldiging kan worden aangevoerd. Bij den lagen trap waarop de nautische wetenschap in die dagen nog stond, bij den gebrekkigen scheepsbouw en de inrichting der bodem, voor de reizen rondom de Kaap de Goede Hoop en Kaap Hoorn bestemd; bij de schier onafgebroken gevechten, die zij hadden te leveren: bij de herhaalde verraderlijke aanvallen waaraan zij ten doel stonden, was het leven dier mannen bijna geen dag buiten gevaar van het oogenblik af dat zij een veilige vaderlandsche haven verlieten; zij aarzelden niet den dood onverschrokken onder de oogen te zien. Had hun eigen leven voor hen zoo weinig waarde; is het dan wonder, dat dat van anderen ook niet hoog werd geteld! Een menschenleven was in dien tijd van ruwe zeilen niet zoo bijster veel waard. Een standbeeld vereeuwigt aIleen het bedrijf waardoor  de persoon zich verdienstelijk heeft gemaakt.

Wil men den man huldigen wiens menschenliefde het algemeen tot zegen is geweest, dan richte men er een op voor St. Vincentius di Paula, of voor onzen Nederlandschen philanthroop Suringar. Niemand zal er zich aan ergeren, dat zij niet als kloeke zeevaarders worden voorgesteld. Evenmin lag liet hier in de bedoeling Coen als philanthroop eer te bewijzen, wèl den stouten zeevaarder, den dapperen, energieke stichter van Batavia, den man, die niettegenstaande herhaalde tegenspoeden, “niet dispereerde”, die toonde wat onze stoere mannen konden tot stand brengen door een ijzeren wil, volharding en moed. De grondvester van onze heerschappij in Insulinde, heeft als zoodanig aanspraak op de erkentelijkheid van het nageslacht.

Schrijver permitteert zich dan ook zeer in gevoelen te verschillen met de tegenstanders, en vertrouwt, dat velen in den lande ’t met hem eens zullen zijn. En zonderling is het, juist van den kant waarvan de oppositie het meeste komt, verwijt “de pol den ketel dat hij zwart ziet”. Door Coen’s handelingen zijn menschenlevens verloren gegaan, dat is een niet te ontkennen feit, maar zijn de woordvoerders van die factie dan zulke weetnieten op het gebied der geschiedenis?

Weten zij niet waartoe hun eeuwige prediking van haat en tweedracht leiden moest? Is het Parijsche treurspel in 1871 geheel uit hun geheugen verdwenen? Wie kan de slachtoffers tellen van de oproerpredikers in die treurige dagen, wie kan berekenen hoevelen er nog zullen vallen, ten gevolge der opruiingen van quasi volksvrienden. Coen en zijns gelijken ontzagen ten minsten hun eigen leven niet. Maar al hoop ik ’t niet te beleven dat Amsterdam of een andere stad in ons vaderland de commune-ramp moet treffen, zou ik er toch wel benieuwd naar zijn, waar onze cathederhelden zouden zijn in de uren van strijd!

Met alle hoogachting,
Uw Ed. Dw. D. P.
P.R.C.

NASCHRIFT. Toen dit opstel gereed was, las schrijver met groote ingenomenheid de feestrede van dr. Schaepman. Dat is mannentaal! Wanneer een daverend applaus (in gedachte) van een warm vaderlander voor dr. S. eenige waarde heeft, dan zij dit aan hem bij deze toegebracht.

Het eiland Bandaneira, waar Coen in 1621 genocide pleegde. Foto: Michiel Baas

 

Bronnen:

https://www.delpher.nl/

http://wvi.antenna.nl/nl/nest/coen.html

https://doorbraak.be/de-zaak-slauerhoffcoen/

http://www.nationaleboekenblog.nl/nieuws/burgemeester-verbiedt-opvoering-toneelstuk-slauerhoff-op-boekenbal/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Vereenigde_Oostindische_Compagnie

https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Pieterszoon_Coen#Gouverneur-generaal_van_de_VOC

https://nl.wikipedia.org/wiki/West-Indische_Compagnie#Oprichting_van_de_eerste_WIC

https://nl.wikipedia.org/wiki/Recht_voor_Allen

https://historiek.net/jan-pieterszoon-coen-1587-1629/5545/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ferdinand_Domela_Nieuwenhuis 

https://historiek.net/jan-pieterszoon-coen-1587-1629/5545/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Beurs_van_Berlage